De handen van mijn moeder

Ze zoekt naar …. naar wat eigenlijk? Ik begrijp het niet. Met gesloten ogen, haar mond half geopend, klauwen haar handen in de lucht. Op het ritme van haar onrustige ademhaling grabbelt ze voortdurend naar iets dat ik niet zie,. Ik ben bang. “Je meisjes ga ik missen, maar jij, jij redt het wel. Jij bent sterk.” Haar woorden zijn aangekomen. Ik ben sterk. Maar in mijn hart woont een klein meisje dat schreeuwt: ‘Ik mis jou wel! Ik heb je nodig!’ 

Voorzichtig pak ik haar verfomfaaide hand in de mijne. Die handen die mij hebben gedragen, die mij hebben getroost, die mij hebben gevoed. Zacht laat ze zich meevoeren, naar de overgang, naar het nieuwe einde. Onmachtig laat ik haar los.
De meiden zoeken steun bij mij. Ik neem ze in mijn armen en aai over hun prachtige lange haren. Ze verdringen zich voor een plekje op mijn schoot. Een plaats waar alleen mijn jongste nog past. Mijn handen, die vanochtend háár nog aanraakten, zoeken verbintenis in jong leven. Ze bieden hoop, vertrouwen, liefde, alles wat nu nodig is. De monotone, eenzijdige beweging van de streling brengt ons tot rust.  De cadans wordt een vloeiende lijn. 
Ik pak hun handen. Het kleine mollige handje van de jongste, het zoekende handje van het kind, de lieve hand van het kind dat weet en de mooie hand van de jongvolwassene. Als ik met mijn handen hun handen omhels, zie ik wat ik niet eerder zag: háár handen, de handen van mijn moeder. De handen van beginnende ouderdom.